vrolijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch vro + -lijk, the former from Old Dutch *frō, *frao, from Proto-Germanic *frawaz, *frawalīkaz.

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

vrolijk ‎(comparative vrolijker, superlative vrolijkst)

  1. cheerful, merry
    Vrolijk Kerstfeest en een Gelukkig Nieuwjaar!

Declension[edit]

Inflection of vrolijk
uninflected vrolijk
inflected vrolijke
comparative vrolijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial vrolijk vrolijker het vrolijkst
het vrolijkste
indefinite m./f. sing. vrolijke vrolijkere vrolijkste
n. sing. vrolijk vrolijker vrolijkste
plural vrolijke vrolijkere vrolijkste
definite vrolijke vrolijkere vrolijkste
partitive vrolijks vrolijkers

Descendants[edit]