zwembroek

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

zwemmen (to swim) +‎ broek (trousers/pants).

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

zwembroek m, f (plural zwembroeken, diminutive zwembroekje n)

  1. swimming trunks, a pair of shorts or briefs worn for swimming or bathing.
    Toen de badmeester twee bengels zwembroeken zag stelen uit de kleedkamer liet hij ze daar na een duik met de zwembroek op de knieën staan wachten tot de eigenaars ze na het douchen herkenden.
    When the bath-superintendent saw two rascals stealing swimming trunks from the locker-room, he made them wait there after a dive with the swimming trunks on their knees till the owners identified them after showering.

Related terms[edit]

See also[edit]