aanbouwen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From aan +‎ bouwen.

Verb[edit]

aanbouwen

  1. (transitive) to build next to an existing building
Inflection[edit]
Inflection of aanbouwen (weak, separable)
infinitive aanbouwen
past singular bouwde aan
past participle aangebouwd
infinitive aanbouwen
gerund aanbouwen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular bouw aan bouwde aan aanbouw aanbouwde
2nd person sing. (jij) bouwt aan bouwde aan aanbouwt aanbouwde
2nd person sing. (u) bouwt aan bouwde aan aanbouwt aanbouwde
2nd person sing. (gij) bouwt aan bouwde aan aanbouwt aanbouwde
3rd person singular bouwt aan bouwde aan aanbouwt aanbouwde
plural bouwen aan bouwden aan aanbouwen aanbouwden
subjunctive sing.1 bouwe aan bouwde aan aanbouwe aanbouwde
subjunctive plur.1 bouwen aan bouwden aan aanbouwen aanbouwden
imperative sing. bouw aan
imperative plur.1 bouwt aan
participles aanbouwend aangebouwd
1) Archaic.

Etymology 2[edit]

Non-lemma forms.

Noun[edit]

aanbouwen

  1. Plural form of aanbouw