bouwen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

PIE root
*bʰuH-

From Middle Dutch bouwen, buwen, from Old Dutch buwan, from Proto-Germanic *būaną.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bouwen ‎(past singular bouwde, past participle gebouwd)

  1. to build; to construct

Conjugation[edit]

Inflection of bouwen (weak)
infinitive bouwen
past singular bouwde
past participle gebouwd
infinitive bouwen
gerund bouwen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bouw bouwde
2nd person sing. (jij) bouwt bouwde
2nd person sing. (u) bouwt bouwde
2nd person sing. (gij) bouwt bouwde
3rd person singular bouwt bouwde
plural bouwen bouwden
subjunctive sing.1 bouwe bouwde
subjunctive plur.1 bouwen bouwden
imperative sing. bouw
imperative plur.1 bouwt
participles bouwend gebouwd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Descendants[edit]

  • Afrikaans: bou