aandragen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ dragen.

Verb[edit]

aandragen

  1. (transitive) to bring forth
  2. (transitive, figuratively) to put forth, to suggest, to supply (e.g. an idea)

Inflection[edit]

Inflection of aandragen (strong class 6, separable)
infinitive aandragen
past singular droeg aan
past participle aangedragen
infinitive aandragen
gerund aandragen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular draag aan droeg aan aandraag aandroeg
2nd person sing. (jij) draagt aan droeg aan aandraagt aandroeg
2nd person sing. (u) draagt aan droeg aan aandraagt aandroeg
2nd person sing. (gij) draagt aan droegt aan aandraagt aandroegt
3rd person singular draagt aan droeg aan aandraagt aandroeg
plural dragen aan droegen aan aandragen aandroegen
subjunctive sing.1 drage aan droege aan aandrage aandroege
subjunctive plur.1 dragen aan droegen aan aandragen aandroegen
imperative sing. draag aan
imperative plur.1 draagt aan
participles aandragend aangedragen
1) Archaic.

Anagrams[edit]