aankunnen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ kunnen. The same in German ankönnen.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aankunnen (past singular kon aan, past participle aangekund)

  1. to be able to handle, to be able to take
    De duikboot kan de druk niet meer aan!
    The submarine can't handle the pressure anymore!

Conjugation[edit]

Inflection of aankunnen (preterite-present, separable)
infinitive aankunnen
past singular kon aan
past participle aangekund
infinitive aankunnen
gerund aankunnen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kan aan kon aan aankan aankon
2nd person sing. (jij) kunt aan, kan aan kon aan aankunt, aankan aankon
2nd person sing. (u) kunt aan, kan aan kon aan aankunt, aankan aankon
2nd person sing. (gij) kunt aan kondt aan aankunt aankondt
3rd person singular kan aan kon aan aankan aankon
plural kunnen aan konden aan aankunnen aankonden
subjunctive sing.1 kunne aan konde aan aankunne aankonde
subjunctive plur.1 kunnen aan konden aan aankunnen aankonden
imperative sing. kan aan
imperative plur.1 kunt aan
participles aankunnend aangekund
1) Archaic.