aanpakken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ pakken.

Verb[edit]

aanpakken

  1. (transitive) to take, hold, take over (when something is handed over)
  2. (transitive) to deal with, to tackle (a problem)

Inflection[edit]

Inflection of aanpakken (weak, separable)
infinitive aanpakken
past singular pakte aan
past participle aangepakt
infinitive aanpakken
gerund aanpakken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular pak aan pakte aan aanpak aanpakte
2nd person sing. (jij) pakt aan pakte aan aanpakt aanpakte
2nd person sing. (u) pakt aan pakte aan aanpakt aanpakte
2nd person sing. (gij) pakt aan pakte aan aanpakt aanpakte
3rd person singular pakt aan pakte aan aanpakt aanpakte
plural pakken aan pakten aan aanpakken aanpakten
subjunctive sing.1 pakke aan pakte aan aanpakke aanpakte
subjunctive plur.1 pakken aan pakten aan aanpakken aanpakten
imperative sing. pak aan
imperative plur.1 pakt aan
participles aanpakkend aangepakt
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]