aanroeren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ roeren.

Verb[edit]

aanroeren

  1. (transitive) to touch, to stir

Inflection[edit]

Inflection of aanroeren (weak, separable)
infinitive aanroeren
past singular roerde aan
past participle aangeroerd
infinitive aanroeren
gerund aanroeren n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular roer aan roerde aan aanroer aanroerde
2nd person sing. (jij) roert aan roerde aan aanroert aanroerde
2nd person sing. (u) roert aan roerde aan aanroert aanroerde
2nd person sing. (gij) roert aan roerde aan aanroert aanroerde
3rd person singular roert aan roerde aan aanroert aanroerde
plural roeren aan roerden aan aanroeren aanroerden
subjunctive sing.1 roere aan roerde aan aanroere aanroerde
subjunctive plur.1 roeren aan roerden aan aanroeren aanroerden
imperative sing. roer aan
imperative plur.1 roert aan
participles aanroerend aangeroerd
1) Archaic.