aanschaffen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ schaffen.

Verb[edit]

aanschaffen

  1. (transitive) to purchase, to buy

Inflection[edit]

Inflection of aanschaffen (weak, separable)
infinitive aanschaffen
past singular schafte aan
past participle aangeschaft
infinitive aanschaffen
gerund aanschaffen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular schaf aan schafte aan aanschaf aanschafte
2nd person sing. (jij) schaft aan schafte aan aanschaft aanschafte
2nd person sing. (u) schaft aan schafte aan aanschaft aanschafte
2nd person sing. (gij) schaft aan schafte aan aanschaft aanschafte
3rd person singular schaft aan schafte aan aanschaft aanschafte
plural schaffen aan schaften aan aanschaffen aanschaften
subjunctive sing.1 schaffe aan schafte aan aanschaffe aanschafte
subjunctive plur.1 schaffen aan schaften aan aanschaffen aanschaften
imperative sing. schaf aan
imperative plur.1 schaft aan
participles aanschaffend aangeschaft
1) Archaic.

Anagrams[edit]