aanwrijven

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ wrijven.

Verb[edit]

aanwrijven

  1. (transitive) to impute

Inflection[edit]

Inflection of aanwrijven (strong class 1, separable)
infinitive aanwrijven
past singular wreef aan
past participle aangewreven
infinitive aanwrijven
gerund aanwrijven n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular wrijf aan wreef aan aanwrijf aanwreef
2nd person sing. (jij) wrijft aan wreef aan aanwrijft aanwreef
2nd person sing. (u) wrijft aan wreef aan aanwrijft aanwreef
2nd person sing. (gij) wrijft aan wreeft aan aanwrijft aanwreeft
3rd person singular wrijft aan wreef aan aanwrijft aanwreef
plural wrijven aan wreven aan aanwrijven aanwreven
subjunctive sing.1 wrijve aan wreve aan aanwrijve aanwreve
subjunctive plur.1 wrijven aan wreven aan aanwrijven aanwreven
imperative sing. wrijf aan
imperative plur.1 wrijft aan
participles aanwrijvend aangewreven
1) Archaic.

Anagrams[edit]