aanzwellen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ zwellen.

Verb[edit]

aanzwellen

  1. (intransitive) to swell
  2. (intransitive) to swell up, surge

Inflection[edit]

Inflection of aanzwellen (strong class 3, separable)
infinitive aanzwellen
past singular zwol aan
past participle aangezwollen
infinitive aanzwellen
gerund aanzwellen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zwel aan zwol aan aanzwel aanzwol
2nd person sing. (jij) zwelt aan zwol aan aanzwelt aanzwol
2nd person sing. (u) zwelt aan zwol aan aanzwelt aanzwol
2nd person sing. (gij) zwelt aan zwolt aan aanzwelt aanzwolt
3rd person singular zwelt aan zwol aan aanzwelt aanzwol
plural zwellen aan zwollen aan aanzwellen aanzwollen
subjunctive sing.1 zwelle aan zwolle aan aanzwelle aanzwolle
subjunctive plur.1 zwellen aan zwollen aan aanzwellen aanzwollen
imperative sing. zwel aan
imperative plur.1 zwelt aan
participles aanzwellend aangezwollen
1) Archaic.

Anagrams[edit]