bezoedelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bezoedelen ‎(past singular bezoedelde, past participle bezoedeld)

  1. to stain, besmirch

Conjugation[edit]

Inflection of bezoedelen (weak, prefixed)
infinitive bezoedelen
past singular bezoedelde
past participle bezoedeld
infinitive bezoedelen
gerund bezoedelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bezoedel bezoedelde
2nd person sing. (jij) bezoedelt bezoedelde
2nd person sing. (u) bezoedelt bezoedelde
2nd person sing. (gij) bezoedelt bezoedelde
3rd person singular bezoedelt bezoedelde
plural bezoedelen bezoedelden
subjunctive sing.1 bezoedele bezoedelde
subjunctive plur.1 bezoedelen bezoedelden
imperative sing. bezoedel
imperative plur.1 bezoedelt
participles bezoedelend bezoedeld
1) Archaic.