bijbrengen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From bij +‎ brengen.

Verb[edit]

bijbrengen

  1. (transitive) to teach, to instill (an ideal)
  2. (transitive) to resuscitate, to bring around

Inflection[edit]

Inflection of bijbrengen (weak with past in -cht, separable)
infinitive bijbrengen
past singular bracht bij
past participle bijgebracht
infinitive bijbrengen
gerund bijbrengen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular breng bij bracht bij bijbreng bijbracht
2nd person sing. (jij) brengt bij bracht bij bijbrengt bijbracht
2nd person sing. (u) brengt bij bracht bij bijbrengt bijbracht
2nd person sing. (gij) brengt bij bracht bij bijbrengt bijbracht
3rd person singular brengt bij bracht bij bijbrengt bijbracht
plural brengen bij brachten bij bijbrengen bijbrachten
subjunctive sing.1 brenge bij brachte bij bijbrenge bijbrachte
subjunctive plur.1 brengen bij brachten bij bijbrengen bijbrachten
imperative sing. breng bij
imperative plur.1 brengt bij
participles bijbrengend bijgebracht
1) Archaic.

Anagrams[edit]