Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search


Alternative forms[edit]


PIE root

From Middle Dutch blaten, bleten, from Old Dutch *blāten, *blēten, from Proto-Germanic *blētijaną ‎(to bleat). Cognate with Old High German blāzen ‎(to bleat), Old English blǣtan ‎(to bleat).



blaten ‎(past singular blaatte, past participle geblaat)

  1. (intransitive) To bleat, produce the typical baa sound of sheep
  2. (intransitive, figuratively) To speak as pointlessly as if it were gibberish
    Je kan blaten wat je wil, jongentje, met zo'n slechte punten ga je over mijn knie!
    You may talk all you want, boy, such bad grades land you over my knee!


Inflection of blaten (weak)
infinitive blaten
past singular blaatte
past participle geblaat
infinitive blaten
gerund blaten n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular blaat blaatte
2nd person sing. (jij) blaat blaatte
2nd person sing. (u) blaat blaatte
2nd person sing. (gij) blaat blaatte
3rd person singular blaat blaatte
plural blaten blaatten
subjunctive sing.1 blate blaatte
subjunctive plur.1 blaten blaatten
imperative sing. blaat
imperative plur.1 blaat
participles blatend geblaat
1) Archaic.


Derived terms[edit]