blauwgroen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From blauw +‎ groen.

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

blauwgroen n (plural blauwgroenen)

  1. blue-green, cyan

Adjective[edit]

blauwgroen (comparative blauwgroener, superlative blauwgroenst)

  1. cyan-coloured

Inflection[edit]

Inflection of blauwgroen
uninflected blauwgroen
inflected blauwgroene
comparative blauwgroener
positive comparative superlative
predicative/adverbial blauwgroen blauwgroener het blauwgroenst
het blauwgroenste
indefinite m./f. sing. blauwgroene blauwgroenere blauwgroenste
n. sing. blauwgroen blauwgroener blauwgroenste
plural blauwgroene blauwgroenere blauwgroenste
definite blauwgroene blauwgroenere blauwgroenste
partitive blauwgroens blauwgroeners

Synonyms[edit]

See also[edit]

Colors in Dutch · kleuren (layout · text)
     rood      groen      geel      roomwit      wit
     karmijnrood      magenta      groenblauw/petrolblauw      groengeel/limoengroen      roze
     indigo      blauw      oranje      grijs      violet
     zwart      paars      bruin      azuurblauw      blauwgroen/cyaan