boegseren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Portuguese

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

boegseren ‎(past singular boegseerde, past participle geboegseerd)

  1. to tug, to tow

Conjugation[edit]

Inflection of boegseren (weak)
infinitive boegseren
past singular boegseerde
past participle geboegseerd
infinitive boegseren
gerund boegseren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular boegseer boegseerde
2nd person sing. (jij) boegseert boegseerde
2nd person sing. (u) boegseert boegseerde
2nd person sing. (gij) boegseert boegseerde
3rd person singular boegseert boegseerde
plural boegseren boegseerden
subjunctive sing.1 boegsere boegseerde
subjunctive plur.1 boegseren boegseerden
imperative sing. boegseer
imperative plur.1 boegseert
participles boegserend geboegseerd
1) Archaic.

Synonyms[edit]