brouwen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Middle Dutch brouwen, bruwen, from Old Dutch *briuwan, from Proto-Germanic *brewwaną.

Verb[edit]

brouwen

  1. (transitive) to brew
Inflection[edit]
Inflection of brouwen (weak with strong past participle)
infinitive brouwen
past singular brouwde
past participle gebrouwen
infinitive brouwen
gerund brouwen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular brouw brouwde
2nd person sing. (jij) brouwt brouwde
2nd person sing. (u) brouwt brouwde
2nd person sing. (gij) brouwt brouwde
3rd person singular brouwt brouwde
plural brouwen brouwden
subjunctive sing.1 brouwe brouwde
subjunctive plur.1 brouwen brouwden
imperative sing. brouw
imperative plur.1 brouwt
participles brouwend gebrouwen
1) Archaic.
Derived terms[edit]

Etymology 2[edit]

Onomatopoeic.

Verb[edit]

brouwen

  1. (intransitive) to pronounce the sound "r" as a uvular consonant
Inflection[edit]
Inflection of brouwen (weak)
infinitive brouwen
past singular brouwde
past participle gebrouwd
infinitive brouwen
gerund brouwen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular brouw brouwde
2nd person sing. (jij) brouwt brouwde
2nd person sing. (u) brouwt brouwde
2nd person sing. (gij) brouwt brouwde
3rd person singular brouwt brouwde
plural brouwen brouwden
subjunctive sing.1 brouwe brouwde
subjunctive plur.1 brouwen brouwden
imperative sing. brouw
imperative plur.1 brouwt
participles brouwend gebrouwd
1) Archaic.

Middle Dutch[edit]

Alternative forms[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch *briuwan, from Proto-Germanic *brewwaną.

Verb[edit]

brouwen

  1. to brew
  2. (figuratively) to think up, to come up with

Inflection[edit]

This verb needs an inflection-table template.

Descendants[edit]