controleren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

controleren ‎(past singular controleerde, past participle gecontroleerd)

  1. to check
  2. to control

Conjugation[edit]

Inflection of controleren (weak)
infinitive controleren
past singular controleerde
past participle gecontroleerd
infinitive controleren
gerund controleren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular controleer controleerde
2nd person sing. (jij) controleert controleerde
2nd person sing. (u) controleert controleerde
2nd person sing. (gij) controleert controleerde
3rd person singular controleert controleerde
plural controleren controleerden
subjunctive sing.1 controlere controleerde
subjunctive plur.1 controleren controleerden
imperative sing. controleer
imperative plur.1 controleert
participles controlerend gecontroleerd
1) Archaic.