eenvoudig

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Afrikaans[edit]

Etymology[edit]

From Dutch eenvoudig, from Middle Dutch êenvoudich. Equivalent to een (one) +‎ -voudig (fold).

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˌɪə̯nˈfœu̯.dəχ/

Adjective[edit]

eenvoudig (attributive eenvoudige, comparative eenvoudiger, superlative eenvoudigste)

  1. simple, plain
  2. simple, easy

Derived terms[edit]


Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch êenvoudich. Equivalent to een (one) +‎ -voudig (fold).

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˌeːnˈvɑu̯.dəx/
  • (file)
  • Hyphenation: een‧vou‧dig

Adjective[edit]

eenvoudig (comparative eenvoudiger, superlative eenvoudigst)

  1. simple, plain
  2. simple, easy
  3. simple, simplex (not composite)

Inflection[edit]

Inflection of eenvoudig
uninflected eenvoudig
inflected eenvoudige
comparative eenvoudiger
positive comparative superlative
predicative/adverbial eenvoudig eenvoudiger het eenvoudigst
het eenvoudigste
indefinite m./f. sing. eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
n. sing. eenvoudig eenvoudiger eenvoudigste
plural eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
definite eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
partitive eenvoudigs eenvoudigers

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]

Descendants[edit]

  • Afrikaans: eenvoudig

See also[edit]