flauwvallen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From flauw +‎ vallen.

Verb[edit]

flauwvallen

  1. (intransitive) to faint

Inflection[edit]

Inflection of flauwvallen (strong class 7, separable)
infinitive flauwvallen
past singular viel flauw
past participle flauwgevallen
infinitive flauwvallen
gerund flauwvallen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular val flauw viel flauw flauwval flauwviel
2nd person sing. (jij) valt flauw viel flauw flauwvalt flauwviel
2nd person sing. (u) valt flauw viel flauw flauwvalt flauwviel
2nd person sing. (gij) valt flauw vielt flauw flauwvalt flauwvielt
3rd person singular valt flauw viel flauw flauwvalt flauwviel
plural vallen flauw vielen flauw flauwvallen flauwvielen
subjunctive sing.1 valle flauw viele flauw flauwvalle flauwviele
subjunctive plur.1 vallen flauw vielen flauw flauwvallen flauwvielen
imperative sing. val flauw
imperative plur.1 valt flauw
participles flauwvallend flauwgevallen
1) Archaic.

Anagrams[edit]