gevangenzetten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

gevangen + zetten

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

gevangenzetten (past singular zette gevangen, past participle gevangengezet)

  1. to incarcerate

Conjugation[edit]

Inflection of gevangenzetten (weak, separable)
infinitive gevangenzetten
past singular zette gevangen
past participle gevangengezet
infinitive gevangenzetten
gerund gevangenzetten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zet gevangen zette gevangen gevangenzet gevangenzette
2nd person sing. (jij) zet gevangen zette gevangen gevangenzet gevangenzette
2nd person sing. (u) zet gevangen zette gevangen gevangenzet gevangenzette
2nd person sing. (gij) zet gevangen zette gevangen gevangenzet gevangenzette
3rd person singular zet gevangen zette gevangen gevangenzet gevangenzette
plural zetten gevangen zetten gevangen gevangenzetten gevangenzetten
subjunctive sing.1 zette gevangen zette gevangen gevangenzette gevangenzette
subjunctive plur.1 zetten gevangen zetten gevangen gevangenzetten gevangenzetten
imperative sing. zet gevangen
imperative plur.1 zet gevangen
participles gevangenzettend gevangengezet
1) Archaic.

Anagrams[edit]