kruisigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

kruisigen ‎(past singular kruisigde, past participle gekruisigd)

  1. to crucify

Conjugation[edit]

Inflection of kruisigen (weak)
infinitive kruisigen
past singular kruisigde
past participle gekruisigd
infinitive kruisigen
gerund kruisigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular kruisig kruisigde
2nd person sing. (jij) kruisigt kruisigde
2nd person sing. (u) kruisigt kruisigde
2nd person sing. (gij) kruisigt kruisigde
3rd person singular kruisigt kruisigde
plural kruisigen kruisigden
subjunctive sing.1 kruisige kruisigde
subjunctive plur.1 kruisigen kruisigden
imperative sing. kruisig
imperative plur.1 kruisigt
participles kruisigend gekruisigd
1) Archaic.

Derived terms[edit]