neerbuigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

neerbuigen

  1. bow down

Inflection[edit]

Inflection of neerbuigen (strong class 2, separable)
infinitive neerbuigen
past singular boog neer
past participle neergebogen
infinitive neerbuigen
gerund neerbuigen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular buig neer boog neer neerbuig neerboog
2nd person sing. (jij) buigt neer boog neer neerbuigt neerboog
2nd person sing. (u) buigt neer boog neer neerbuigt neerboog
2nd person sing. (gij) buigt neer boogt neer neerbuigt neerboogt
3rd person singular buigt neer boog neer neerbuigt neerboog
plural buigen neer bogen neer neerbuigen neerbogen
subjunctive sing.1 buige neer boge neer neerbuige neerboge
subjunctive plur.1 buigen neer bogen neer neerbuigen neerbogen
imperative sing. buig neer
imperative plur.1 buigt neer
participles neerbuigend neergebogen
1) Archaic.

See also[edit]

Anagrams[edit]