opgaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Afrikaans[edit]

Etymology[edit]

From Dutch opgaan.

Verb[edit]

opgaan (present gaan op, present participle opgaande, past participle opgegaan)

  1. to go up, to ascend, to rise
    Die son gaan op.
    The sun is rising.

Synonyms[edit]

Antonyms[edit]


Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

op +‎ gaan

Verb[edit]

opgaan (past singular ging op, past participle opgegaan)

  1. to go up, ascend
    De zon gaat op in het oosten, en gaat onder in het westen.
    The sun goes up in the east, and goes down in the west.
  2. to be a candidate, to make an attempt, to make a bid (for a test, prize etc.), to be tested
    Ik ga morgen op voor mijn examen.
    I'm taking my exam tomorrow.
    Na hun laatste overwinning ging het team op voor de finale.
    After their last victory, the team made a bid for the finals.
  3. to hold true, to apply, to be significant
    Die regel geldt normaal wel, maar gaat in dit geval niet op.
    That rule normally applies, but does not apply in this case.
  4. to blend in, to be lost (in a crowd, surroundings etc.)
    Dankzij zijn camouflage gaat de luipaard helemaal op in zijn omgeving.
    Thanks to its camouflage, the leopard completely blends in with its surroundings.
  5. (figuratively) to be lost (in an activity, so as to lose track of time, one's surroundings, etc.)

Conjugation[edit]

Inflection of opgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive opgaan
past singular ging op
past participle opgegaan
infinitive opgaan
gerund opgaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga op ging op opga opging
2nd person sing. (jij) gaat op ging op opgaat opging
2nd person sing. (u) gaat op ging op opgaat opging
2nd person sing. (gij) gaat op gingt op opgaat opgingt
3rd person singular gaat op ging op opgaat opging
plural gaan op gingen op opgaan opgingen
subjunctive sing.1 ga op ginge op opga opginge
subjunctive plur.1 gaan op gingen op opgaan opgingen
imperative sing. ga op
imperative plur.1 gaat op
participles opgaand opgegaan
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]