opvoeden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

op +‎ voeden

Verb[edit]

opvoeden

  1. to raise, to bring up

Inflection[edit]

Inflection of opvoeden (weak, separable)
infinitive opvoeden
past singular voedde op
past participle opgevoed
infinitive opvoeden
gerund opvoeden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular voed op voedde op opvoed opvoedde
2nd person sing. (jij) voedt op voedde op opvoedt opvoedde
2nd person sing. (u) voedt op voedde op opvoedt opvoedde
2nd person sing. (gij) voedt op voedde op opvoedt opvoedde
3rd person singular voedt op voedde op opvoedt opvoedde
plural voeden op voedden op opvoeden opvoedden
subjunctive sing.1 voede op voedde op opvoede opvoedde
subjunctive plur.1 voeden op voedden op opvoeden opvoedden
imperative sing. voed op
imperative plur.1 voedt op
participles opvoedend opgevoed
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]