overmaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

over +‎ maken

Verb[edit]

overmaken

  1. to make over
  2. to transfer (e.g. an amount from one bank to another)

Inflection[edit]

Inflection of overmaken (weak, separable)
infinitive overmaken
past singular maakte over
past participle overgemaakt
infinitive overmaken
gerund overmaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak over maakte over overmaak overmaakte
2nd person sing. (jij) maakt over maakte over overmaakt overmaakte
2nd person sing. (u) maakt over maakte over overmaakt overmaakte
2nd person sing. (gij) maakt over maakte over overmaakt overmaakte
3rd person singular maakt over maakte over overmaakt overmaakte
plural maken over maakten over overmaken overmaakten
subjunctive sing.1 make over maakte over overmake overmaakte
subjunctive plur.1 maken over maakten over overmaken overmaakten
imperative sing. maak over
imperative plur.1 maakt over
participles overmakend overgemaakt
1) Archaic.

Anagrams[edit]