redeneren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

redeneren ‎(past singular redeneerde, past participle geredeneerd)

  1. to reason

Conjugation[edit]

Inflection of redeneren (weak)
infinitive redeneren
past singular redeneerde
past participle geredeneerd
infinitive redeneren
gerund redeneren n
verbal noun redenering, redenatie
present tense past tense
1st person singular redeneer redeneerde
2nd person sing. (jij) redeneert redeneerde
2nd person sing. (u) redeneert redeneerde
2nd person sing. (gij) redeneert redeneerde
3rd person singular redeneert redeneerde
plural redeneren redeneerden
subjunctive sing.1 redenere redeneerde
subjunctive plur.1 redeneren redeneerden
imperative sing. redeneer
imperative plur.1 redeneert
participles redenerend geredeneerd
1) Archaic.

Derived terms[edit]