relateren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

relateren ‎(past singular relateerde, past participle gerelateerd)

  1. to relate

Conjugation[edit]

Inflection of relateren (weak)
infinitive relateren
past singular relateerde
past participle gerelateerd
infinitive relateren
gerund relateren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular relateer relateerde
2nd person sing. (jij) relateert relateerde
2nd person sing. (u) relateert relateerde
2nd person sing. (gij) relateert relateerde
3rd person singular relateert relateerde
plural relateren relateerden
subjunctive sing.1 relatere relateerde
subjunctive plur.1 relateren relateerden
imperative sing. relateer
imperative plur.1 relateert
participles relaterend gerelateerd
1) Archaic.

Related terms[edit]