terugspoelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From terug +‎ spoelen.

Verb[edit]

terugspoelen

  1. to rewind

Inflection[edit]

Inflection of terugspoelen (weak, separable)
infinitive terugspoelen
past singular spoelde terug
past participle teruggespoeld
infinitive terugspoelen
gerund terugspoelen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular spoel terug spoelde terug terugspoel terugspoelde
2nd person sing. (jij) spoelt terug spoelde terug terugspoelt terugspoelde
2nd person sing. (u) spoelt terug spoelde terug terugspoelt terugspoelde
2nd person sing. (gij) spoelt terug spoelde terug terugspoelt terugspoelde
3rd person singular spoelt terug spoelde terug terugspoelt terugspoelde
plural spoelen terug spoelden terug terugspoelen terugspoelden
subjunctive sing.1 spoele terug spoelde terug terugspoele terugspoelde
subjunctive plur.1 spoelen terug spoelden terug terugspoelen terugspoelden
imperative sing. spoel terug
imperative plur.1 spoelt terug
participles terugspoelend teruggespoeld
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]