tuchtigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

tucht 'discipline, punishment' + -igen '-ise'

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

tuchtigen ‎(past singular tuchtigde, past participle getuchtigd)

  1. To chastise, subject to disciplinary (especially corporal) punishment
    Telkens de cipier een boef bloedig tuchtigt is hij zijn pa dankbaar, die hem tijdig over de knie tuchtigde
    Each time the jailer chastises a vilain bloodily he's grateful to his dad, who chastised him timely over the knee

Conjugation[edit]

Inflection of tuchtigen (weak)
infinitive tuchtigen
past singular tuchtigde
past participle getuchtigd
infinitive tuchtigen
gerund tuchtigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular tuchtig tuchtigde
2nd person sing. (jij) tuchtigt tuchtigde
2nd person sing. (u) tuchtigt tuchtigde
2nd person sing. (gij) tuchtigt tuchtigde
3rd person singular tuchtigt tuchtigde
plural tuchtigen tuchtigden
subjunctive sing.1 tuchtige tuchtigde
subjunctive plur.1 tuchtigen tuchtigden
imperative sing. tuchtig
imperative plur.1 tuchtigt
participles tuchtigend getuchtigd
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]

Related terms[edit]