uitbaten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitbaten

  1. to exploit

Inflection[edit]

Inflection of uitbaten (weak, separable)
infinitive uitbaten
past singular baatte uit
past participle uitgebaat
infinitive uitbaten
gerund uitbaten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular baat uit baatte uit uitbaat uitbaatte
2nd person sing. (jij) baat uit baatte uit uitbaat uitbaatte
2nd person sing. (u) baat uit baatte uit uitbaat uitbaatte
2nd person sing. (gij) baat uit baatte uit uitbaat uitbaatte
3rd person singular baat uit baatte uit uitbaat uitbaatte
plural baten uit baatten uit uitbaten uitbaatten
subjunctive sing.1 bate uit baatte uit uitbate uitbaatte
subjunctive plur.1 baten uit baatten uit uitbaten uitbaatten
imperative sing. baat uit
imperative plur.1 baat uit
participles uitbatend uitgebaat
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]