uitdrogen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Hyphenation: uit‧dro‧ging

Etymology[edit]

uit- +‎ droog +‎ -en

Verb[edit]

uitdrogen

  1. (intransitive) to dehydrate
  2. (transitive) to dehydrate

Inflection[edit]

Inflection of uitdrogen (weak, separable)
infinitive uitdrogen
past singular droogde uit
past participle uitgedroogd
infinitive uitdrogen
gerund uitdrogen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular droog uit droogde uit uitdroog uitdroogde
2nd person sing. (jij) droogt uit droogde uit uitdroogt uitdroogde
2nd person sing. (u) droogt uit droogde uit uitdroogt uitdroogde
2nd person sing. (gij) droogt uit droogde uit uitdroogt uitdroogde
3rd person singular droogt uit droogde uit uitdroogt uitdroogde
plural drogen uit droogden uit uitdrogen uitdroogden
subjunctive sing.1 droge uit droogde uit uitdroge uitdroogde
subjunctive plur.1 drogen uit droogden uit uitdrogen uitdroogden
imperative sing. droog uit
imperative plur.1 droogt uit
participles uitdrogend uitgedroogd
1) Archaic.

Derived terms[edit]