uitgroeien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From uit +‎ groeien

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitgroeien (past singular groeide uit, past participle uitgegroeid)

  1. to develop, grow larger
    van kruidenierswinkel uitgroeien tot supermarktketen: to grow from a simple grocery into a supermarket chain

Conjugation[edit]

Anagrams[edit]