uitgroeien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From uit +‎ groeien

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitgroeien ‎(past singular groeide uit, past participle uitgegroeid)

  1. to develop, grow larger
    van kruidenierswinkel uitgroeien tot supermarktketen: to grow from a simple grocery into a supermarket chain

Conjugation[edit]

Inflection of uitgroeien (weak, separable)
infinitive uitgroeien
past singular groeide uit
past participle uitgegroeid
infinitive uitgroeien
gerund uitgroeien n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular groei uit groeide uit uitgroei uitgroeide
2nd person sing. (jij) groeit uit groeide uit uitgroeit uitgroeide
2nd person sing. (u) groeit uit groeide uit uitgroeit uitgroeide
2nd person sing. (gij) groeit uit groeide uit uitgroeit uitgroeide
3rd person singular groeit uit groeide uit uitgroeit uitgroeide
plural groeien uit groeiden uit uitgroeien uitgroeiden
subjunctive sing.1 groeie uit groeide uit uitgroeie uitgroeide
subjunctive plur.1 groeien uit groeiden uit uitgroeien uitgroeiden
imperative sing. groei uit
imperative plur.1 groeit uit
participles uitgroeiend uitgegroeid
1) Archaic.

Anagrams[edit]