groeien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch groeyen, from Old Dutch *gruoien, from Proto-Germanic *grōaną, from Proto-Indo-European *gʰreh₁-(to grow, become green).

Verb[edit]

groeien

  1. (intransitive) to grow

Inflection[edit]

Inflection of groeien (weak)
infinitive groeien
past singular groeide
past participle gegroeid
infinitive groeien
gerund groeien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular groei groeide
2nd person sing. (jij) groeit groeide
2nd person sing. (u) groeit groeide
2nd person sing. (gij) groeit groeide
3rd person singular groeit groeide
plural groeien groeiden
subjunctive sing.1 groeie groeide
subjunctive plur.1 groeien groeiden
imperative sing. groei
imperative plur.1 groeit
participles groeiend gegroeid
1) Archaic.

Derived terms[edit]

References[edit]