aangroeien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ groeien.

Verb[edit]

aangroeien

  1. (ergative) to increase
  2. (intransitive) to grow back

Inflection[edit]

Inflection of aangroeien (weak, separable)
infinitive aangroeien
past singular groeide aan
past participle aangegroeid
infinitive aangroeien
gerund aangroeien n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular groei aan groeide aan aangroei aangroeide
2nd person sing. (jij) groeit aan groeide aan aangroeit aangroeide
2nd person sing. (u) groeit aan groeide aan aangroeit aangroeide
2nd person sing. (gij) groeit aan groeide aan aangroeit aangroeide
3rd person singular groeit aan groeide aan aangroeit aangroeide
plural groeien aan groeiden aan aangroeien aangroeiden
subjunctive sing.1 groeie aan groeide aan aangroeie aangroeide
subjunctive plur.1 groeien aan groeiden aan aangroeien aangroeiden
imperative sing. groei aan
imperative plur.1 groeit aan
participles aangroeiend aangegroeid
1) Archaic.

Anagrams[edit]