uitleggen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitleggen

  1. to explain
  2. to interpret

Inflection[edit]

Inflection of uitleggen (weak, separable)
infinitive uitleggen
past singular legde uit
past participle uitgelegd
infinitive uitleggen
gerund uitleggen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular leg uit legde uit uitleg uitlegde
2nd person sing. (jij) legt uit legde uit uitlegt uitlegde
2nd person sing. (u) legt uit legde uit uitlegt uitlegde
2nd person sing. (gij) legt uit legde uit uitlegt uitlegde
3rd person singular legt uit legde uit uitlegt uitlegde
plural leggen uit legden uit uitleggen uitlegden
subjunctive sing.1 legge uit legde uit uitlegge uitlegde
subjunctive plur.1 leggen uit legden uit uitleggen uitlegden
imperative sing. leg uit
imperative plur.1 legt uit
participles uitleggend uitgelegd
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Related terms[edit]

Anagrams[edit]