uitlenen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ lenen

Verb[edit]

uitlenen

  1. to lend out

Inflection[edit]

Inflection of uitlenen (weak, separable)
infinitive uitlenen
past singular leende uit
past participle uitgeleend
infinitive uitlenen
gerund uitlenen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular leen uit leende uit uitleen uitleende
2nd person sing. (jij) leent uit leende uit uitleent uitleende
2nd person sing. (u) leent uit leende uit uitleent uitleende
2nd person sing. (gij) leent uit leende uit uitleent uitleende
3rd person singular leent uit leende uit uitleent uitleende
plural lenen uit leenden uit uitlenen uitleenden
subjunctive sing.1 lene uit leende uit uitlene uitleende
subjunctive plur.1 lenen uit leenden uit uitlenen uitleenden
imperative sing. leen uit
imperative plur.1 leent uit
participles uitlenend uitgeleend
1) Archaic.

Anagrams[edit]