uitvaardigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From uit + vaardig + -en.

Verb[edit]

uitvaardigen

  1. to promulgate

Inflection[edit]

Inflection of uitvaardigen (weak, separable)
infinitive uitvaardigen
past singular vaardigde uit
past participle uitgevaardigd
infinitive uitvaardigen
gerund uitvaardigen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular vaardig uit vaardigde uit uitvaardig uitvaardigde
2nd person sing. (jij) vaardigt uit vaardigde uit uitvaardigt uitvaardigde
2nd person sing. (u) vaardigt uit vaardigde uit uitvaardigt uitvaardigde
2nd person sing. (gij) vaardigt uit vaardigde uit uitvaardigt uitvaardigde
3rd person singular vaardigt uit vaardigde uit uitvaardigt uitvaardigde
plural vaardigen uit vaardigden uit uitvaardigen uitvaardigden
subjunctive sing.1 vaardige uit vaardigde uit uitvaardige uitvaardigde
subjunctive plur.1 vaardigen uit vaardigden uit uitvaardigen uitvaardigden
imperative sing. vaardig uit
imperative plur.1 vaardigt uit
participles uitvaardigend uitgevaardigd
1) Archaic.

Anagrams[edit]