uitvallen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ vallen

Verb[edit]

uitvallen

  1. (literally) to fall out (such as hair)
  2. to drop out (of a competition)
  3. to stop functioning, to become out of order
  4. (military) to sally from a besieged position
  5. to turn out, result in
    Hij is nogal goed uitgevallen.: He has turned out to be rather good.

Inflection[edit]

Inflection of uitvallen (strong class 7, separable)
infinitive uitvallen
past singular viel uit
past participle uitgevallen
infinitive uitvallen
gerund uitvallen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular val uit viel uit uitval uitviel
2nd person sing. (jij) valt uit viel uit uitvalt uitviel
2nd person sing. (u) valt uit viel uit uitvalt uitviel
2nd person sing. (gij) valt uit vielt uit uitvalt uitvielt
3rd person singular valt uit viel uit uitvalt uitviel
plural vallen uit vielen uit uitvallen uitvielen
subjunctive sing.1 valle uit viele uit uitvalle uitviele
subjunctive plur.1 vallen uit vielen uit uitvallen uitvielen
imperative sing. val uit
imperative plur.1 valt uit
participles uitvallend uitgevallen
1) Archaic.

Anagrams[edit]