uitvoeren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ voeren

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈœy̯tˌfuːrə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: uit‧voe‧ren

Verb[edit]

uitvoeren

  1. to execute, carry out; perform
  2. to output
  3. to export

Inflection[edit]

Inflection of uitvoeren (weak, separable)
infinitive uitvoeren
past singular voerde uit
past participle uitgevoerd
infinitive uitvoeren
gerund uitvoeren n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular voer uit voerde uit uitvoer uitvoerde
2nd person sing. (jij) voert uit voerde uit uitvoert uitvoerde
2nd person sing. (u) voert uit voerde uit uitvoert uitvoerde
2nd person sing. (gij) voert uit voerde uit uitvoert uitvoerde
3rd person singular voert uit voerde uit uitvoert uitvoerde
plural voeren uit voerden uit uitvoeren uitvoerden
subjunctive sing.1 voere uit voerde uit uitvoere uitvoerde
subjunctive plur.1 voeren uit voerden uit uitvoeren uitvoerden
imperative sing. voer uit
imperative plur.1 voert uit
participles uitvoerend uitgevoerd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Descendants[edit]

  • Afrikaans: uitvoer
  • Negerhollands: vuer yt

Anagrams[edit]