uitwerken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitwerken

  1. to effect, put in place
  2. to elaborate, expand

Inflection[edit]

Inflection of uitwerken (weak, separable)
infinitive uitwerken
past singular werkte uit
past participle uitgewerkt
infinitive uitwerken
gerund uitwerken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular werk uit werkte uit uitwerk uitwerkte
2nd person sing. (jij) werkt uit werkte uit uitwerkt uitwerkte
2nd person sing. (u) werkt uit werkte uit uitwerkt uitwerkte
2nd person sing. (gij) werkt uit werkte uit uitwerkt uitwerkte
3rd person singular werkt uit werkte uit uitwerkt uitwerkte
plural werken uit werkten uit uitwerken uitwerkten
subjunctive sing.1 werke uit werkte uit uitwerke uitwerkte
subjunctive plur.1 werken uit werkten uit uitwerken uitwerkten
imperative sing. werk uit
imperative plur.1 werkt uit
participles uitwerkend uitgewerkt
1) Archaic.

Anagrams[edit]