uitzetten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From uit +‎ zetten.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitzetten ‎(past singular zette uit, past participle uitgezet)

  1. (intransitive) to expand
  2. (transitive) to turn off, switch off
  3. (transitive) to release into the wild
  4. (transitive) to expel, to expatriate

Conjugation[edit]

Inflection of uitzetten (weak, separable)
infinitive uitzetten
past singular zette uit
past participle uitgezet
infinitive uitzetten
gerund uitzetten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zet uit zette uit uitzet uitzette
2nd person sing. (jij) zet uit zette uit uitzet uitzette
2nd person sing. (u) zet uit zette uit uitzet uitzette
2nd person sing. (gij) zet uit zette uit uitzet uitzette
3rd person singular zet uit zette uit uitzet uitzette
plural zetten uit zetten uit uitzetten uitzetten
subjunctive sing.1 zette uit zette uit uitzette uitzette
subjunctive plur.1 zetten uit zetten uit uitzetten uitzetten
imperative sing. zet uit
imperative plur.1 zet uit
participles uitzettend uitgezet
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]