voorschieten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From voor +‎ schieten.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

voorschieten (past singular schoot voor, past participle voorgeschoten)

  1. to advance (money), to pay in advance

Conjugation[edit]

Inflection of voorschieten (strong class 2, separable)
infinitive voorschieten
past singular schoot voor
past participle voorgeschoten
infinitive voorschieten
gerund voorschieten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular schiet voor schoot voor voorschiet voorschoot
2nd person sing. (jij) schiet voor schoot voor voorschiet voorschoot
2nd person sing. (u) schiet voor schoot voor voorschiet voorschoot
2nd person sing. (gij) schiet voor schoot voor voorschiet voorschoot
3rd person singular schiet voor schoot voor voorschiet voorschoot
plural schieten voor schoten voor voorschieten voorschoten
subjunctive sing.1 schiete voor schote voor voorschiete voorschote
subjunctive plur.1 schieten voor schoten voor voorschieten voorschoten
imperative sing. schiet voor
imperative plur.1 schiet voor
participles voorschietend voorgeschoten
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]