Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search




From Middle Dutch sweven, from Old Dutch sweben (to freely move back and forth, float), from Proto-Germanic *swibēną (to move), from Proto-Indo-European *sweyp-, *sweyb- (to twist, turn around). Cognate with German schweben (to float).



  1. to float
  2. to glide
    ik voel Uw kracht / en stijg op als een arend / dan zweef ik op de wind / gedragen door Uw geest / en de kracht van Uw liefde — I feel your force / and ascend like an eagle / then I glide in the wind / drawn by your spirit / and the force of your love    (Opwekking 488)


Inflection of zweven (weak)
infinitive zweven
past singular zweefde
past participle gezweefd
infinitive zweven
gerund zweven n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular zweef zweefde
2nd person sing. (jij) zweeft zweefde
2nd person sing. (u) zweeft zweefde
2nd person sing. (gij) zweeft zweefde
3rd person singular zweeft zweefde
plural zweven zweefden
subjunctive sing.1 zweve zweefde
subjunctive plur.1 zweven zweefden
imperative sing. zweef
imperative plur.1 zweeft
participles zwevend gezweefd
1) Archaic.

Derived terms[edit]