zwijnen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

zwijnen

  1. Plural form of zwijn

Verb[edit]

zwijnen

  1. (intransitive, Bargoens) to be lucky
    • 2016 April 18, Bart Hinke, "Makkelie redt middag en wellicht seizoen Ajax", NRC Handelsblad.
      Eredivisie Ajax zwijnt tegen Utrecht (2-2) met late penalty, mogelijk cruciaal in titelrace.

Inflection[edit]

Inflection of zwijnen (weak)
infinitive zwijnen
past singular zwijnde
past participle gezwijnd
infinitive zwijnen
gerund zwijnen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular zwijn zwijnde
2nd person sing. (jij) zwijnt zwijnde
2nd person sing. (u) zwijnt zwijnde
2nd person sing. (gij) zwijnt zwijnde
3rd person singular zwijnt zwijnde
plural zwijnen zwijnden
subjunctive sing.1 zwijne zwijnde
subjunctive plur.1 zwijnen zwijnden
imperative sing. zwijn
imperative plur.1 zwijnt
participles zwijnend gezwijnd
1) Archaic.