aangaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ gaan.

Verb[edit]

aangaan

  1. (transitive) to be a concern to
    Mijn doen en laten gaat jou helemaal niets aan.
    My comings and goings are not your concern at all.
  2. (transitive) to enter (into something)
    Ze ging een contract aan met het bedrijf.
    She entered into a contract with the company.
  3. (intransitive) to start, to turn on (of a machine or device)
    De computer wilde maar niet aangaan. Bleek dat de stekker niet in het stopcontact zat.
    The computer just wouldn't start. Turns out the plug wasn't plugged into the power outlet.

Inflection[edit]

Inflection of aangaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive aangaan
past singular ging aan
past participle aangegaan
infinitive aangaan
gerund aangaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga aan ging aan aanga aanging
2nd person sing. (jij) gaat aan ging aan aangaat aanging
2nd person sing. (u) gaat aan ging aan aangaat aanging
2nd person sing. (gij) gaat aan gingt aan aangaat aangingt
3rd person singular gaat aan ging aan aangaat aanging
plural gaan aan gingen aan aangaan aangingen
subjunctive sing.1 ga aan ginge aan aanga aanginge
subjunctive plur.1 gaan aan gingen aan aangaan aangingen
imperative sing. ga aan
imperative plur.1 gaat aan
participles aangaand aangegaan
1) Archaic.

Anagrams[edit]