aangaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

aan +‎ gaan

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aangaan ‎(past singular ging aan, past participle aangegaan)

  1. to concern (with)
  2. to enter (into something)
  3. to start, to turn on (a machine or device)

Conjugation[edit]

Inflection of aangaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive aangaan
past singular ging aan
past participle aangegaan
infinitive aangaan
gerund aangaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga aan ging aan aanga aanging
2nd person sing. (jij) gaat aan ging aan aangaat aanging
2nd person sing. (u) gaat aan ging aan aangaat aanging
2nd person sing. (gij) gaat aan gingt aan aangaat aangingt
3rd person singular gaat aan ging aan aangaat aanging
plural gaan aan gingen aan aangaan aangingen
subjunctive sing.1 ga aan ginge aan aanga aanginge
subjunctive plur.1 gaan aan gingen aan aangaan aangingen
imperative sing. ga aan
imperative plur.1 gaat aan
participles aangaand aangegaan
1) Archaic.

Anagrams[edit]