Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search




From aan +‎ geven.


aangeven ‎(past singular gaf aan, past participle aangegeven)

  1. (transitive) to hand, to pass
    Kun je me de afstandsbediening aangeven?
    Could you hand me the remote control?
  2. (transitive and intransitive) to indicate, to point out
    Hij heeft aangegeven waar het is.
    He indicated where it is (to be found).
  3. (transitive) to report, to notify, to declare
    Iemand aangeven.
    To report someone (to the authorities).
    Niets aan te geven.
    Nothing to declare.


Inflection of aangeven (strong class 5, separable)
infinitive aangeven
past singular gaf aan
past participle aangegeven
infinitive aangeven
gerund aangeven n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular geef aan gaf aan aangeef aangaf
2nd person sing. (jij) geeft aan gaf aan aangeeft aangaf
2nd person sing. (u) geeft aan gaf aan aangeeft aangaf
2nd person sing. (gij) geeft aan gaaft aan aangeeft aangaaft
3rd person singular geeft aan gaf aan aangeeft aangaf
plural geven aan gaven aan aangeven aangaven
subjunctive sing.1 geve aan gave aan aangeve aangave
subjunctive plur.1 geven aan gaven aan aangeven aangaven
imperative sing. geef aan
imperative plur.1 geeft aan
participles aangevend aangegeven
1) Archaic.

Related terms[edit]