aanhoren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ horen.

Verb[edit]

aanhoren

  1. (transitive) to listen to
    Ik kan dit lawaai niet meer aanhoren!
    I can't stand to listen to this noise any longer!
  2. (transitive) to listen carefully to

Inflection[edit]

Inflection of aanhoren (weak, separable)
infinitive aanhoren
past singular hoorde aan
past participle aangehoord
infinitive aanhoren
gerund aanhoren n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hoor aan hoorde aan aanhoor aanhoorde
2nd person sing. (jij) hoort aan hoorde aan aanhoort aanhoorde
2nd person sing. (u) hoort aan hoorde aan aanhoort aanhoorde
2nd person sing. (gij) hoort aan hoorde aan aanhoort aanhoorde
3rd person singular hoort aan hoorde aan aanhoort aanhoorde
plural horen aan hoorden aan aanhoren aanhoorden
subjunctive sing.1 hore aan hoorde aan aanhore aanhoorde
subjunctive plur.1 horen aan hoorden aan aanhoren aanhoorden
imperative sing. hoor aan
imperative plur.1 hoort aan
participles aanhorend aangehoord
1) Archaic.

Anagrams[edit]