aankloppen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ kloppen.

Noun[edit]

aankloppen

  1. (intransitive) to knock on the door

Inflection[edit]

Inflection of aankloppen (weak, separable)
infinitive aankloppen
past singular klopte aan
past participle aangeklopt
infinitive aankloppen
gerund aankloppen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular klop aan klopte aan aanklop aanklopte
2nd person sing. (jij) klopt aan klopte aan aanklopt aanklopte
2nd person sing. (u) klopt aan klopte aan aanklopt aanklopte
2nd person sing. (gij) klopt aan klopte aan aanklopt aanklopte
3rd person singular klopt aan klopte aan aanklopt aanklopte
plural kloppen aan klopten aan aankloppen aanklopten
subjunctive sing.1 kloppe aan klopte aan aankloppe aanklopte
subjunctive plur.1 kloppen aan klopten aan aankloppen aanklopten
imperative sing. klop aan
imperative plur.1 klopt aan
participles aankloppend aangeklopt
1) Archaic.