aanpappen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ pappen.

Verb[edit]

aanpappen

  1. (intransitive, informal) to get in touch

Inflection[edit]

Inflection of aanpappen (weak, separable)
infinitive aanpappen
past singular papte aan
past participle aangepapt
infinitive aanpappen
gerund aanpappen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular pap aan papte aan aanpap aanpapte
2nd person sing. (jij) papt aan papte aan aanpapt aanpapte
2nd person sing. (u) papt aan papte aan aanpapt aanpapte
2nd person sing. (gij) papt aan papte aan aanpapt aanpapte
3rd person singular papt aan papte aan aanpapt aanpapte
plural pappen aan papten aan aanpappen aanpapten
subjunctive sing.1 pappe aan papte aan aanpappe aanpapte
subjunctive plur.1 pappen aan papten aan aanpappen aanpapten
imperative sing. pap aan
imperative plur.1 papt aan
participles aanpappend aangepapt
1) Archaic.

Anagrams[edit]